‘Je hoeft niet in één vakje te passen’: In gesprek met Caro Verbeek

Tekst: Romée van Oostenbrugge

Foto: Caro Verbeek

Caro Verbeek is kunsthistorica (PhD), curator, auteur, maker en universitair docent met een expertise in waarneming en de “lage zintuigen”. We spraken haar over haar interesses en carrièrepad.

Hoi, Caro! Jij hebt tot nu toe een enorm interessant carrièrepad afgelegd en bent nog volop bezig met nieuwe dingen. Wil je iets vertellen over hoe jouw studietijd en carrière tot nu toe zijn verlopen?

Jazeker! Ik wilde na de middelbare school Industriële vormgeving gaan studeren in Delft, maar ik was niet technisch genoeg. Toen zag ik een lezing van Emily Ansenk – nu directeur van de Kunsthal – en vond het enorm inspirerend hoe zij vertelde. Aha, dacht ik, kunstgeschiedenis is ook nog een optie! Ik hield erg van tekenen, maar naar de Kunstacademie durfde ik niet, dus wilde ik kunst van andere mensen analyseren. Zo kwam ik bij de bachelor Kunstgeschiedenis. Ik koos voor de track Nieuwste Tijd (nu: Hedendaagse Kunst), omdat ik erg gefascineerd was door het begin van de twintigste eeuw en de opkomst van de abstractie en de theosofie.

Na mijn master Kunstgeschiedenis ben ik reisleider geworden, omdat ik verliefd was geworden op Italië en de Italiaanse kunst. Dat heb ik jarenlang gedaan en toen wilde ik in de museumveld werken. Ik heb een tweede master, Museumconservator, gedaan. Na mijn stage bij het Stedelijk Museum ben ik daar blijven werken. Vervolgens heb ik bij het Rijksmuseum en de Lakenhal gewerkt, maar ik bleef al die tijd onderzoek doen naar het onderwerp van mijn scriptie: de rol van geur in kunst. Vanuit de museumwereld ben ik daarom bij de Vrije Universiteit gaan promoveren op de rol van geur in avant-garde kunst en het reconstrueren van die geuren.

Interessant dat je zoveel verschillende dingen hebt gedaan! Had je dat gepland of is het spontaan zo gelopen?

Ik heb nooit uitgestippeld: daar wil ik komen, dus dit moet ik doen. Ik denk eerder: dit is fantastisch, hier ga ik iets mee doen!

Wat gaaf! En dat reisleiderschap, wat is de reden dat je dit bent gaan doen?

Een van mijn doelen, ook van mijn onderzoek, is altijd geweest: hoe vertaal ik het naar iets toegankelijks, iets voor het grotere publiek? Als je een heel ingewikkeld onderzoek doet, lezen honderd mensen het. Dat vind ik zonde. Als je de vertaalslag maakt naar iets maatschappelijks, helpt het zowel het museale veld, het academische veld als het maatschappelijke veld.

Je bent eigenlijk veel bezig met het toegankelijk maken van de kunst voor het grotere  publiek?

Zeker, ja. Ik hou echt van die vertaalslag naar het grote publiek, dan heb ik het idee dat ik het ergens voor doe.

En je hebt dus bij een aantal musea gewerkt, wat waren hier je functies?

Ik heb bij het Stedelijk Museum op de afdeling Documentatie en Onderzoek gewerkt, bij Museum de Lakenhal was ik registrator en bij het Rijksmuseum was ik catalogiseerder. Daar bracht ik de collectie van twintigste-eeuwse prenten en tekeningen in kaart. Later was ik bij het Rijksmuseum assistent conservator, interim conservator en daarna ben ik in samenwerking met het Rijksmuseum gaan promoveren.

Wat ik interessant vind, is om te weten wat een kunsthistoricus nu op een dagelijkse basis eigenlijk echt doet. Wat hield je gemiddelde werkdag als conservator bij het Rijksmuseum bijvoorbeeld in?

Als conservator bij het Rijksmuseum krijg je heel veel publieksvragen die je moet beantwoorden. Je krijgt ook bruikleenverzoeken, dat is heel veel administratie. Als je geluk hebt, werk je in de week nog een paar uur aan een artikel. Je moet natuurlijk ook blijven publiceren, want je bent wetenschapper als je in een museum werkt. Daarnaast geef je rondleidingen en ga je veel praten met eventuele schenkers. Tentoonstellingen maken vind ik het leukst, dat is de kers op de taart want dan mag je echt onderzoek doen, in de collectie kijken, werken bij elkaar zoeken, zaalteksten schrijven en met de pers praten. De pers wil je namelijk graag spreken als het een tentoonstelling is die mensen aanspreekt.

Ik ben ook altijd freelancer geweest, naast al mijn werk. Dat is natuurlijk ook nog een optie, dat je als freelancer voor een museum werkt. Beantwoordt dat je vraag?

Jazeker, dat maakt het een stuk inzichtelijker wat het takenpakket van een kunsthistoricus bij een museum kan zijn.

Ja. Ik vond het als student ook erg leerzaam om naar advertenties te kijken. Wat vragen ze van je? En wat is je takenpakket? Ik keek naar alle advertenties voor museummedewerkers en dan zag ik waar ze naar vroegen. Soms vroegen ze expliciet naar een diploma van de Reinwardt Academie, soms naar een master Museumconservator, soms gewoon Kunstgeschiedenis of dat je ervaring had vanwege een stage… Dat helpt.

Een goede tip, dank je wel. Je vertelde net dat je bent gepromoveerd op de rol van geur in avant-garde kunst. Hoe ging dat?

Mijn onderwerp was inderdaad de rol van geur in avant-garde kunst, maar wel met de maatschappelijke vraag: wat kun je daar nú mee?

Ik heb in samenwerking met de geurstoffenindustrie (International Flavors & Fragrances Inc.) gewerkt aan geurreconstructies en voor het Rijksmuseum heb ik een rondleiding ontwikkeld met geuren in relatie tot hun collectie. Ik heb toen gekeken: wat doet het met mensen als je iets ruikt, terwijl je naar kunst kijkt? Begrijp je het dan beter? Dat was super interessant. Dat bleek ook zo te zijn, mensen gaan anders kijken en voelen zich veel meer geëngageerd. En blinde mensen kunnen via hun neus toegang krijgen tot allerlei erfgoedobjecten en kunstwerken. De Slag bij Waterloo kun je bijvoorbeeld naar kijken, maar als je het ook ruikt begrijp je veel beter de angst, de enorme complexiteit, de hoeveelheid mensen en dieren, de weersomstandigheden… Dat dringt veel meer tot je door. Je kijkt naar andere details.

Mijn onderzoek was dus ook: neem nu eens zelf waar wat je onderzoekt. Die geuren die worden omschreven in de geschiedenis, reconstrueer ze. Ga nu eens ruiken en ga het eens relateren aan wat je leest.

Wauw, ik had nog nooit nagedacht over de zintuigen als onderzoeksmethode. Wat interessant.

Ik word daarom niet altijd door iedereen serieus genomen, hoor!

Echt waar? Hoezo?

Er zijn debatten waarin wordt gezegd: ‘Waarneming leidt niet tot historische kennis.’ Ik geloof er niets van. Ik laat me er ook niet door tegenhouden.

‘Dat is die historicus die ruikt. Ruiken geeft geen informatie over het verleden, dat is niet echt academisch, ze is meer kunstenaar.’ Ja, ja, het maakt me niet uit. Ik ben ervan overtuigd: ik leid mijn neus op, ik ruik aan alles en ik zorg ervoor dat ik het altijd contextualiseer. Dat ik ruik, betekent niet dat ik niet lees. Als ik ruik, snap ik beter wat ik lees en als ik lees, snap ik beter wat ik ruik. Die embodied cognition of knowing by sensing is mijn niche geworden. Ik hoef niet in een vakje te passen. Dat is ook een boodschap die ik aan iedereen wil meegeven: je hoeft niet in één vakje te passen. Die cross-overs zijn juist interessant, die maken jou ook gewild. In mijn huidige baan als conservator Mondriaan & De Stijl in Kunstmuseum Den Haag pas ik dat opnieuw toe. Ik leer boogiewoogie te dansen en luister veel naar jazz om beter zijn geschilderde ritmes te begrijpen.

Ik vind het heel bijzonder dat sommige mensen zintuiglijke informatie niet serieus nemen. Ook in de geschiedenis gebruikten mensen hun zintuigen en dat heeft allemaal invloed gehad op de kunst die ze hebben vervaardigd.

Zeker. Mensen zeggen dan: ‘Hoe wij nu reageren op een geur, is niet hetzelfde als hoe mensen honderd jaar geleden reageerden op een geur.’ En dan zeg ik: ‘Helemaal waar, maar dat wil nog niet zeggen dat ruiken je niet, op wat voor manier dan ook, kan informeren.’ Als wij voor een Rembrandt staan, doen we toch ook niet onze ogen dicht omdat we niet meer kunnen kijken zoals mensen honderd jaar geleden? We kunnen toch proberen om dichterbij die ervaring te komen? Door te lezen, door te luisteren én door te kijken. In de kunstgeschiedenis is het natuurlijk geaccepteerd dat je ook analytisch kijkt en zo geloof ik dat je ook analytisch kan ruiken.

Ja. Je zou zeggen dat ook de lagere zintuigen empirische informatie kunnen verstrekken. Je kunt op alle empirische informatie wel kritiek leveren dat we het niet meer hetzelfde kunnen ervaren.

Zeker, ja, zelfs op teksten. Wij kunnen teksten niet hetzelfde lezen als ze bedoeld zijn. Daar moet je altijd met een bepaald, contextueel oog naar kijken. Zo kun je ook contextueel waarnemen.

Dat is ook zo. Ik heb nog een andere vraag voor je. Op welke manier gebruik je je studie kunstgeschiedenis nu nog in je werkzaamheden of in je leven?

Als kunsthistoricus leer je om analytisch te kijken en in mijn werk heb ik daar heel veel aan, maar ook in mijn leven heb ik er heel veel plezier aan. Ik heb het idee dat ik nu meer kan zien. Ik kan begrijpen, analyseren wat ik zie en dat overdragen aan anderen. Die hebben daar dan ook plezier van, want die zien ook weer meer. Kunstgeschiedenis heeft me dus echt levensvaardigheden bijgebracht. En doordat ik erachter kwam dat kunstenaars geur gebruikten, heb ik een hele interessante carrière gehad. Dat was toen een beetje een niche. Ik kon erop promoveren, ik heb er in veel musea tentoonstellingen over kunnen maken, ik heb erdoor leren ruiken… Het heeft mijn hele leven verrijkt.

Wat mooi, ik ben benieuwd hoe ik daar aan het einde van mijn studie tegenaan kijk! Dan mijn laatste vraag: heb je nog tips voor kunstgeschiedenisstudenten over het kiezen of opbouwen van een carrièrepad?

Ja, kijk vooral naar wat jij leuk vindt. Enthousiasme werkt aanstekelijk. Zo krijg je mensen mee. Tijdens een van mijn eerste sollicitaties werd ik aangenomen omdat ik enthousiaster was dan een andere kandidaat, terwijl diegene meer ervaring had. Het is belangrijk om enthousiasme uit te dragen.

Een andere tip is agency, het naar buiten treden. Wat mij heeft geholpen om zichtbaar te worden, is niet alleen publiceren in academische tijdschriften. Dat ziet een handjevol mensen. Het schrijven van blogs, het maken van vlogs of podcasts, het meedoen aan interviews, festivals … Die dingen zorgen voor zichtbaarheid. Zo kwam ik al heel snel op internationale symposia, terwijl ik nog helemaal niet in peer-reviewed magazines had gepubliceerd, dat ben ik later gaan doen.

Wat mijn carrière ook enorm heeft geholpen, waren vrouwelijke voorbeelden. Mijn leidinggevenden waren vaak vrouwen, daar keek ik naar op. Dat waren mensen die anderen ook iets gunden. Een van mijn leidinggevenden leerde mij om initiatief te tonen, waardoor je kunt gaan samenwerken met allerlei verschillende partijen. Met hoe meer partijen je samenwerkt, hoe groter de kans wordt dat je project door kan gaan. Iedereen heeft wel een klein fondsje, dat kun je allemaal bij elkaar schrapen. Je kunt mensen enthousiasmeren zodat ze zich bij jouw idee aansluiten.

Een ander advies is: ga stage lopen op een afdeling waar je graag zou willen werken. Dat raad ik echt aan om te kunnen snuffelen in bijvoorbeeld de museumwereld. Dan zie je misschien ook dat je het helemaal niet leuk vindt en dat je misschien liever iets anders wil doen.

En als het lukt: probeer een niche te vinden, een unique sellingpoint. Volg bijvoorbeeld een vak dat niemand anders volgt. Doe een stage. Bied jezelf gewoon aan als stagiair op een plek waar jij graag zou willen werken. Wees niet bang. Stuur gewoon een mail. Het is natuurlijk belangrijk om breed te zijn, maar een niche is ook altijd goed. Dat zijn mijn tips.

Enorm bedankt! Je hebt mij heel veel informatie en enthousiasme gegeven. Ik denk dat ook de kunstgeschiedenisstudenten die dit artikel gaan lezen, er veel tips en inspiratie uit kunnen halen.

Geen probleem! Heel veel succes met je studie en toekomstige carrière. Misschien dat ik over vijf jaar wel een opdracht krijg van jou.

Dat zou gaaf zijn. Ik hoop het!